Alledaags

Roken

Ik sta op het perron op de trein te wachten, als een stem uit de luidspreker klinkt. ‘Beste reizigers….’ Nog voordat ze is uitgesproken begin ik al geïrriteerd te raken. Mijn ochtendhumeur zegt me direct dat de trein vertraging heeft of erger, helemaal niet zal komen. Maar de berichtgeving is dit keer anders; ‘Vanaf 1 oktober is het niet meer toegestaan om te roken op de perrons’. Ik fleur gelijk op. Wat fijn! Voor mij dan hè. Dat de trein dus gewoon komt! Roken doe ik al jaren niet meer, maar ik weet nog precies hoe het was.

Als tiener heb ik nooit gerookt. Ik was er niet nieuwsgierig naar en had er geen behoefte aan. Dat was natuurlijk niet stoer dus ik hoorde er ook niet bij. Bij ons thuis werd niet gerookt. Mijn opa rookte sigaren, dat vond ik altijd lekker ruiken. Alleen in de auto was het minder. Als ik mee mocht naar de camping in Beekbergen deed oma voor mij het raam op een kiertje, dan was het wel fris maar niet zo erg. Misselijk werd ik toch wel. Wij hadden geen auto dus die hele rit was sowieso al een drama. Dat vroeger iedereen overal rookte kan je je nu niet meer voorstellen. Maar het was zo.

Ik woonde al jaren op mezelf toen ik af en toe eens een sigaretje voor iemand anders opstak. En van die ene inhalering kwam de tweede en zo verder. Tot ik ineens een hele sigaret rookte. En binnen korte tijd een pakje per dag. Ja echt, een pakje per dag! En niet de kleinste, maar zo’n grote box Camel met 25 stuks. Waar het zo simpel begon, was de verslaving al gauw niet meer weg te denken.

Direct na het opstaan begon het al. Ik rookte zelfs in de badkamer bij het opdoen van mijn make-up. Echt verschrikkelijk als ik er nu aan terugdenk. Mijn lief rookte natuurlijk ook, dus samen dampten we vrolijk de boel blauw. In de auto rookten wij samen. Natuurlijk alleen met het raam op een kiertje. Wat zullen we ongelofelijk gemeurd hebben in die tijd! Toen we eens met de auto en de boot naar Engeland gingen met ons roeiteam, wilde niemand met ons meerijden. Want wij rookten. Dat vonden we wel zo stom. Dan maar niet. Het was onze auto en je dacht toch niet dat wij de hele weg zonder sigaretje zouden doen? Nu schaam ik me kapot als ik daaraan terugdenk.

Tijdens een feestje zette ik altijd uitnodigend een glaasje sigaretten op tafel, gezellig! Je mocht roken in de trein, in het vliegtuig en op je werk. Ik kan me herinneren dat ik gewoon een asbak op mijn bureau had. Maar ik kan me ook herinneren dat ik me stoorde aan mijn verslaving. Altijd maar die onrust. Tijdens vergaderingen die uitliepen, dwaalde ik altijd af; wanneer zou ik nou eindelijk kunnen roken? De avond dat je thuis komt en merkt dat je geen sigaretten meer hebt, of nog maar één. Altijd maar de drang om te roken of te moeten kopen. Heel irritant. De ramen werden er heel vies van. Het plafond en de kunststof raamkozijnen ook. En echt lekker vond ik het niet eens. Maar stoppen was niet makkelijk.  Soms lukte het een paar maandjes en zelfs wel eens een jaar, maar ik viel altijd weer terug. Meestal als er iets ergs aan de hand was. Dan kon het me niet meer schelen.

Pas toen mijn bonusschoonvader ongeneselijk ziek bleek en zou komen te overlijden, ben ik van de een op de andere dag gestopt. Ik kon niet aanzien dat iemand van wie ik hield zo vocht voor zijn leven terwijl ik mijn lijf moedwillig verziekte met sigaretten. Pas toen ging de knop in mijn hoofd om en was het niet meer moeilijk. Ik wilde het niet meer en ga het ook nooit meer doen. Dat is nu 18 jaar geleden en ik denk er nog net zo over.

Maar ik besloot ook dat ik geen gestopte zeikerd wilde worden. Ik zou nooit klagen over rokende mensen of zeggen dat ik het vind stinken. En dat vind ik meestal ook niet. Soms kan ik zo’n vleugje rook, in het voorbijgaan nog best lekker vinden. Soort flashback naar vroeger. Zoals ik dat ook heb met de geur van een sigaar, dan denk ik terug aan mijn opa die er al zolang niet meer is. Toen hij overleed zei mijn oma; ‘Ik zou willen dat ie de hele kamer blauw rookte, was ie er nog maar’. En zo is het ook. Dan is alles ineens zo relatief.

Maar als ik nu terugkijk naar de jaren waarin ik gestopt ben, jeetje wat is er dan veel veranderd. Waar voorheen een enkeling niet rookte, rookt nu een enkeling nog wel. Toen ons huis gebouwd werd, besloten wij dat daar nooit in gerookt zou worden. Bij de mensen waar dat nog wel gebeurd is het helemaal vreemd. Dat ben je niet meer gewend. De pakjes zijn nu afgrijselijk om te zien en niet te betalen zo duur. Als ik roker was zou het mij er niet van weerhouden. Dan deed ik er wel een gezellig  ander doosje omheen.

Roken in de trein of in het vliegtuig, je kunt het je niet meer voostellen dat dat vroeger heel gewoon was. Als wij in de trein neerploften, staken we er steevast gelijk een op. De asbak zat in je armleuning dus superfijn! De rokers op het perron, ach daar stoor ik me niet zo aan. Ze staan toch buiten? Nou ja, als ze vlak naast me gaan staan terwijl ik net lekker fris onder de douche vandaan kom vind ik het wel minder. Maar dan deed ik gewoon een stapje opzij. Of zes stappen. Tot ik het niet meer rook. Maar ook op de perrons mag het dus niet meer. Vroeger was de kreet ‘een tevreden roker is geen onruststoker’ doodgewoon. Nu ben je een soort opgejaagd wild.